Diamantduif

Het diamantduifje komt oorspronkelijk uit in Australië en leeft daar op de vlakten in het noorden en midden van het continent. Het gebied waar ze voorkomen, zijn begroeid met savannebossen en droge struiken aan de randen van de bossen of in struiken en op bomen, die verspreid groeien. Er moet altijd water in de buurt zijn.
De broedtijd is van mei tot augustus. In deze periode kunnen ze tot vijf keer jongen groot brengen. Om het vrouwtje niet te verzwakken, kun je beter genoegen nemen met drie nestjes. Tot het paringsritueel van de doffer behoort een typisch buigende houding. Hij loopt met zijn kop buigend achter het vrouwtje aan en waaiert hierbij zijn staart verticaal uit. Met opgezwollen krop en door voortdurend te buigen, probeert hij indruk te maken op de duivin.

Elk legsel bestaat uit twee eitjes. De broedtijd bedraagt 12-13 dagen. In deze periode wisselen mannetjes en vrouwtjes elkaar af op het nest. Om te voorkomen dat de duifjes doorgaan met broeden buiten de broedtijd, is het aan te raden om de nestbakjes te verwijderen en geen nestmateriaal aan te bieden. Jonge vogels groeien ontzettend hard. In de eerste dagen van hun leven verdubbelen ze hun gewicht. Na 11-12 dagen zijn ze al in staat om uit te vliegen. Hun staartjes zijn dan nog kort. Het duurt slecht enkele dagen, voordat ze na het verlaten van het nest, veilig kunnen vliegen. Op een leeftijd van vier weken, verwisselen ze hun verenkleed, dat er dan uit gaat zien als het verenkleed van een volwassen vogel.

De nakomelingen moeten op tijd worden verhuist naar een eigen ruimte, zodat ze niet worden verjaagd als de ouders het hok te klein vinden voor zichzelf en de jongen. Kleine volières zijn minder geschikt voor diamantduifjes. Als meerdere paartjes in een te kleine ruimte leven, kan het gebeuren dat de doffers met elkaar gaan vechten. Dit is te voorkomen door de duifjes een voldoende grootte ruimte aan te bieden. Een kooi voor een stelletje mag niet kleiner zijn dan 100x50x75 cm. Het is niet aan te raden diamantduifjes en zebravinken in een volière samen te houden, daar de zebravink de nesten leeg haalt van de duifjes, ten behoeve van hun eigen nestkastjes.

Nestelen is bij de diamantduif een vrij eenvoudige zaak. Als basis voor hun nest gebruiken ze alles wat je hen aanbiedt; zowel kanarie-, bast- of draadmandjes en platte kistjes. Kokosvezels, takjes, hooi halmen en mos dienen als bouwmateriaal. Gewoonlijk gaan de vogels bij het bouwen niet heel bijzonder netjes te werk. Daarom moeten de nestjes voordat de vogels aan een nieuwe ronde beginnen, netjes schoongemaakt worden. Het beste is dat te doen als de jonge vogels al wat ouder worden en het instinct van de ouders sterk genoeg is, door het gepiep van de jonge vogels, om terug te gaan naar het nest. Verplaats nooit het nest !! Hooi verdient de voorkeur boven kokosvezel, omdat de kokosvezel zich om de pootjes van de jonge vogels kan draaien en dan mag je met een nagelschaartje de hele kluwen vezels los gaan knippen.

Diamantduifjes zijn uitstekend geschikt voor minder ervaren kwekers. De vogels munten uit door het eenvoudige patroon van voeren en huisvesting. Door deze ongecompliceerdheid en de snelle wijze waarop ze zich voortplanten, kan het gedragspatroon van de vogels goed worden bestudeert. Naarmate je meer met mutanten gaat kweken, wordt er wel meer ervaring van de kweker gevraagd, daar mutaties niet altijd “gewenst” gekweekt worden. Er komen altijd vogeltjes uit de ouderlijn, waar je dan misschien minder in geïnteresseerd bent en je moet dan wel kunnen bepalen hoe de vererving verder gaat lopen. Hun levendigheid en tolerant gedrag (mits er sprake is van inteelt; van schuwheid tot “killer- gedrag”) maken dat ze een populaire vogelsoort zijn om in de volière te houden.

Wat betreft hun voeding, kun je een diamantduif het beste kleinkorrelige gierstmengsels, wilde onkruidzaden, tropisch zaad, millet, klein parkietenzaad, eivoer (evt. gemengd met vruchtenpatè), muur (buiten te vinden), af en toe wat gewassen sla in stukjes, brood geweekt in melk en wat gekiemde zaden geven. Diamantduifjes houden ervan om urenlang lekker over de bodem van de volière te lopen en daar te zoeken naar eten. In de vrije natuur vliegen ze bovendien meerdere keren per dag naar een drinkplaats, om daar te drinken. Om te slapen, trekken ze zich terug op de takken van bomen en struiken. Regen is niets voor diamantduifjes. Hun veren worden snel nat, zodat ze nauwelijks kunnen vliegen. Als ze zonder bescherming aan de regen worden blootgesteld, richten ze zich stijl op, zodat de regendruppels maar op een klein deel van hun verenkleed terecht komen.

In 1868 werden er al dieren vanuit Australië geïmporteerd en ondergebracht in de “Londense Zoo”. Men is met deze vogels gaan kweken vanaf 1871. In 1875 kwamen ze naar Duitsland en ook daar werd er onmiddellijk mee gekweekt. Daarna volgden de andere landen in west en midden-Europa, zodat er al gauw verder geen importen meer nodig waren. De wetenschappelijke naam van het duifje is “Geopelia Cuneata”. Tot dit geslacht behoren ook de andere twee soorten: “Geopelia Striata” ; Sperwer-, Vredes-, Gezelschaps-, Maugeeduifje en het Kopernekduifje (“Geopelia Humeralis”)”. Het tropische kenmerk van het ras, is dat de eerste slagpen van de vleugels plotseling smaller wordt.

Diamantduiven zijn ware “zonaanbidders”. Als andere vogels al lang naar een schaduwplek zoeken, voelen de duifjes zich pas goed op hun gemak. Ze genieten urenlang van de zon en een badje in lauw-warm zand is een genot. Ze spreiden hun vleugels uit, zodat de warmte overal goed kan komen. Desondanks zijn de vogels die bij ons leven, niet erg gevoelig voor de kou. Ze zijn inmiddels aan ons klimaat gewend en kunnen daarom gemakkelijk overwinteren in onze buitenvolières. Het is echter niet verstandig om de duifjes op zo’n manier in een onverwarmde ruimte te laten overwinteren, het is wijzer om ze toch wat beschutting te bieden tegen de kou.

Er zijn verschillende kleurslagen te onderscheiden bij de diamantduifjes. Creme- bruin is slechts een van de weinige kleuren die met kweken zijn bereikt. Er zijn kweekvormen in wit (briljant) en zilvergrijs, bont, geel (Yellow) en kaneel. Witstuitdiamantduifjes behoren tot de meest voorkomende mutatie. Ze zijn in de jaren 70 ontstaan in Canada. De vogels bestaan in verschillende kleuren, maar de karakteristieke kenmerken zijn hetzelfde. Ze hebben een witte staart, waaraan ze hun naam te danken hebben en bovendien is de vorm van de diamantjes anders. De stippen bij de mutatie vervormen tot lange pegeltjes. Probeer dit zoveel mogelijk te voorkomen door met voldoende wildkleur te kweken in combinatie met de blauwe witstuit.

Yellow diamantduiven zijn in 1974 vanuit Zuid-Afrika naar België geimporteerd. De naam “geel” was niet correct, omdat de hals, borst en kop van de vogel grijs-blauw waren. Inmiddels worden de nakomelingen “Izabel” genoemd, wat van de geelgrijze kleur van de vogels is afgeleidt. De stippen kunnen in de zon wat vlekkerig worden. Parelgrijs is het verenkleed van de standaard- diamantduif, waarbij de bovenzijde meer olijf-bruinachtig lijkt. De vleugels zijn met witte stippen bedekt. Deze zien er uit als diamantjes en zullen zeker een steentje bijgedragen hebben aan de naamgeving van de vogel. De staart lijkt op die van de kwikstaart.

De vier lange en middelste staartveren hebben een zwarte, de volgende een witte punt. De snavel is olijfbruin, de ogen zijn oranje-geel en gezoomd met een koraalrode oogring. Een diamantduif wordt ongeveer 20 cm lang en weegt 45 gram. Volwassen vrouwtjes zijn te onderscheiden van de volwassen mannetjes door de minder felle en compacte oogring en de wat lichtere iris. Ook zijn de vrouwtjes bovenop de rug en kop donkerder van kleur en wat bruiner dan de mannetjes. Dit geldt ook voor de vleugeldekveren. Onder invloed van vererving is het mogelijk dat onderscheiding van mannetjes en vrouwtjes lastiger is, dan op het eerste ogenblik lijkt.

De diamantduif kan je voor verrassingen stellen ! Raadzaam is de duif voor een periode van drie maanden uit te laten ruien, alvorens je met zekerheid kunt stellen dat je met een doffer of een duivin te doen hebt. Houdt het formaat en het model van de vogels goed in de gaten. Kweken met mutaties vereist kennis van zaken om de grootte en formaat goed te houden. Het is van groot belang om altijd een goede wildkleur duivin of doffer achter de hand te houden. Dit met het oog op grootte, formaat en tekening.

Inteelt is een probleem dat bij diamantduifjes vaak voorkomt. Hierdoor neemt de weerstand af en dit heeft ook nadelige gevolgen voor hun vruchtbaarheid en de grootte van de duif. Wie deze duifjes wil kweken, kan daarom beter kiezen voor twee vogels die niet aan elkaar verwant zijn. Bovendien moet bij paartjes die niet in harmonie met elkaar kunnen leven, een van beide partners vervangen worden. Kruis nooit een witstuit maal witstuit, tenzij dat je zeker weet dat achter minimaal een van de twee een wildkleur vader of moeder zit ! Tweede generatie “pure witstuit” geeft altijd “lethaal-factor”. Dit is het onvermogen van de lever om te functioneren; dus niet levensvatbare jonge vogels. Te ver doorschieten in de witte kleur, mag voor sommige mensen dan een droom zijn, de praktijk leert dat het de vogel niet ten goede komt. Vaak moet je dan weer in een paar jaar de fouten gaan corrigeren, die er ingekweekt zijn. Soms is het dan maar beter, om helemaal niet meer met zo’n vogel te gaan kweken, om de kwaliteit nog te kunnen waarborgen van de vogels!

Mocht u willen kweken met deze vogeltjes, gaat u dan liever kijken op de landelijke of regionale shows of bij liefhebbers. Er bestaat in Nederland een “Wilde duiven-werkgroep” waar lijsten zijn van o.a. diamantduiven houders. Hier zult u alleen maar mensen op zien staan, die al wat jaren kweken en u een goed diamantduifje zullen verkopen. De diamantduif is het waard om mee gekweekt te worden op de goede manier, dan kunt u er heel veel plezier van hebben.

Gerelateerde artikelen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *