Het Paardengebit ¨Een gegeven paard toch in de bek kijken?¨
Door Mark J Hoyer, dierenarts te Schellinkhout.
Tel. O229-503474, Fax. 0842-114108.
E-mail: M.Hoyer-VIA@Planet.nlHet paard is een planteneter (herbivoor), wat zichtbaar is in de opbouw van zijn gebit. Met name de kiezen, die een maalfunctie hebben, zijn sterk ontwikkeld en zijn plat op de kauwvlakte. Dit in tegenstelling tot het gebit van vleeseters (carnivoren), welke puntig en scherp is, bedoeld om vlees klein te knippen. Een paard spendeert relatief veel tijd, tot 16 uur per dag, aan het grazen en fijn malen van zijn kostje.
Het gebit van een paard bestaat uit de volgende elementen:
Snijtanden (incisivi = I); hiervan zijn er 3 per kaakhelft:
- de binnentanden
- de middentanden
- de buitentanden
- Haak- of hoektanden (canini = C); deze zijn alleen bij de hengst en ruin aanwezig. Een enkele maal vindt men ze ook bij de merrie.
- Melk- of veulenkiezen (premolare = P); in aanleg zijn er 4 per kaakhelft aanwezig, echter de eerste premolaar is meestal niet of slechts rudimentair aanwezig en is dan bekend als ¨wolfskiesje¨.
- Ware kiezen (molare = M); waarvan er 3 per kaakhelft zijn.
De tandformule - hierbij worden in letters en getallen het aantal en soort elementen aangegeven - ziet er bij een volwassen paard dan ook als volgt uit:
Bovenkaakhelft I3 C1 P4 M3 -------------------- Onderkaakhelft I3 C1 P4 M3
Een volwassen paardengebit heeft dus 36 (merrie) tot 40 (hengst) elementen.
Bij een veulen van een jaar, waarbij alle tanden en kiezen aanwezig zijn, ontbreken in de tandformule de drie molaren (M). Veulentanden laten zich van volwassen tanden onderscheiden door hun wittere kleur, hun schopvorm en het ontbreken van een duidelijke groeve aan de lipvlakte van de tand.
Bij een pas doorgebroken snijtand bevindt zich in de kroon een holte, het infundibulum of de kroonholte. Deze holte zal langzaam verdwijnen door het in slijting komen van de tand. Wanneer ze verdwenen is, noemt men de tand ¨gevuld¨. Zijn alle tanden gevuld, dan noemt men een paard ¨aftands¨. Het tandsterretje, het aan de wrijfvlakte van de snijtanden zichtbare deel van de wortelholte, wordt vanaf dat moment zichtbaar aan de voorrand van de tand.
Doordat de wisseling en afslijting van tanden en kiezen van een paard een vast patroon volgen, is de leeftijd van een paard met een redelijke betrouwbaarheid te schatten. Het spreekwoord: ¨Je moet een gegeven paard niet in de bek kijken¨ komt hier vandaan.
Voorop gesteld moet echter worden dat door afwijkingen van de tandstand (onder-, bovenbijter), rantsoen-samenstelling, gedragsafwijkingen (kribbenbijten) en variatie in tandhardheid (pony's), afwijkingen van het normale slijtagepatroon kunnen ontstaan. Daardoor is het zelfs voor de zeer ervaren leeftijdschatter moeilijk om de leeftijd van het paard op enkele jaren nauwkeurig te bepalen. Zeker vanaf tien à elf jaar wordt het schatten van de leeftijd steeds onnauwkeuriger en is er vaak sprake van een educated guess'. Het onderstaande schema dient dan ook als leidraad.
Tabel leeftijdschatting bij het paard
Snijtanden Leeftijd Aanvullende kenmerken Binnen-veulentanden
breken door0-8 dagen Melkkiezen reeds aanwezig Midden-veulentanden
breken door1 maand Buiten-veulentanden
breken door6 maanden Opvullen van veulentanden 10-24 maanden Binnen veulentanden
vallen uit2,5 jaar P2 gewisseld, M2 aanwezig Binnentanden doorgegroeid 3 jaar P3 gewisseld Midden-veulentanden
vallen uit3,5 jaar Middentanden doorgegroeid 4 jaar P4 gewisseld, M3 aanwezig Buiten-veulentanden
vallen uit4,5 jaar Haaktanden breken door Buitentanden doorgegroeid 5 jaar Binnentanden gevuld 6 jaar Middentanden gevuld 7 jaar 't ¨Tandsterretje¨ verschijnt Buitentanden gevuld 8 jaar Boven-binnentanden gevuld 9 jaar Tanden langzaam driehoekiger Boven-middentanden gevuld 10 jaar 'Haak' aan boven-buitentand, groeve Boven-buitentanden gevuld 11 jaar van Galvayne zichtbaar Binnentand kroonholte weg 13 jaar Middentand kroonholte weg 14 jaar Buitentand kroonholte weg 15 jaar Snijtanden steeds ronder
De ¨tandboog¨ wordt steeds hoekiger door het strekken van de tanden. Ten gevolge van de voortgaande slijting worden de tanden op doorsnede van dwars-ovaal, via driehoekig en rond, uiteindelijk lengte ovaal.
Galvayne's groeve (een groeve op het midden van de buitensnijtand) wordt steeds duidelijker zichtbaar op de zij vlakte van I3.
Gebitsproblemen en gebitsverzorging.
De volgende klachten kunnen wijzen op gebitsproblemen wanneer het paard ondanks een goede eetlust toch vermagert:
- proppen kauwt (na enkele minuten kauwen op stengelig voer een pruim laat vallen)
- erg traag of slecht eet
- met een scheve mond eet
- vermagert of diarree heeft
- of problemen maakt bij het indoen van het bit of veel verzet vertoont tijdens het rijden, is dit een reden om de mond eens grondig te (laten) inspecteren.
Veel aandoeningen aan het gebit ontwikkelen zich in de loop der tijd en de klachten dienen zich dan ook vaag en langzaam aan. Zeker bij oudere paarden komen nog al eens tandproblemen voor zonder dat deze direct zo opvallen. Bij een recent Belgisch onderzoek bij slachtpaarden bleek zelfs dat 60% van de dieren boven de 15 jaar serieuze gebitsafwijkingen hadden, waarvoor een behandeling nodig was geweest.
Hieronder zullen een aantal meest voorkomende afwijkingen aan het paardengebit worden behandeld.
I. Aangeboren afwijkingen aan de kaken
De overbijter (of varkensmond): hierbij steken de snijtanden van de bovenkaak vóór die van de onderkaak uit. De bovenkaak is relatief te lang. Vanwege de erfelijke achtergrond van de varkensmond accepteren de meeste stamboeken fokpaarden met deze afwijking niet. De snijtanden slijten onvolledig of geheel niet op elkaar af, met alle gevolgen van dien. Er kunnen problemen ontstaan met grazen. Doordat ook vaak de kiezen ten opzichte van elkaar verplaatst zijn, kunnen ook hier afslijtingsproblemen ontstaan, zoals tandvleesbeschadigingen en haken op de kiezen (zie later).
De onderbijter (of snoeksmond): hierbij is de onderkaak te lang en steken de onder snijtanden voor de boventanden uit. Problemen zijn hetzelfde als bij de overbijter.
II. Afwijkingen in het aantal elementen
Te weinig elementen (oligodontie) komt erg weinig voor bij het paard en is dan meestal als gevolg van trauma. Veroorzaakt altijd kauwbezwaren of problemen tijdens het rijden of mennen.
Te veel elementen (polydontie): komt regelmatig voor. Bij ware polydontie zijn er in aanleg te veel elementen aanwezig. Deze kunnen tussen of vlak bij de normale tanderij staan of zomaar ergens in het hoofd. Men spreekt in dat geval van een zwerfkies. Door hun scheve stand geven ze praktisch altijd aanleiding tot problemen ten gevolge van tong-, wang- en mondslijmvlies beschadiging.
III. Afwijkingen geassocieerd met de wisseling van de tanden (dus in de periode van 2,5 tot 4,5 jaar oud)
Persisterende melktanden Normaal duwt de doorkomende permanente tand de melktand naar boven, zodat deze tenslotte uitvalt. Gebeurt dit laatste niet, dan kan de zittenblijvende melktand het slijmvlies van mond of tong beschadigen en mogelijk aanleiding geven tot ontstekingen.
Persisterende melkkiezen (de ¨doppen¨) Hierbij blijft de melkkies ten tijde van de wisseling met zijn wortels als een soort kroonkurk op de doorgroeiende permanente kies hangen. Deze leiden tot kauwbezwaren en mogelijke slijmvlies- beschadiging.
Het wolfskiesje
Deze eerste premolaar is meestal afwezig. Als hij wel aanwezig is, krijgt hij vaak de schuld van problemen bij het rijden. Om deze reden wordt dit kiesje, met zijn kleine wortel, veelvuldig (en onterecht) verwijderd. Soms komt de wolfskies door op een afwijkende plaats, bijvoorbeeld het tandenloze gedeelte tussen de tanden en kiezen (lagen of diasteem). Daar geeft hij bijna altijd klachten.
Folliculaire cysten
Dit zijn weefselwoekeringen ter plaatse van de wortels van de permanente premolaren. Ze doen zich voor als harde zwellingen aan de rand van de onderkaak of voorste deel van de bovenkaak. Het meest treft men ze aan bij volbloeden en Shetlanders. Zij geven zelden aanleiding tot problemen, tenzij ze geïnfecteerd raken, en verdwijnen meestal spontaan.
IV. Andere afwijkingen aan van de afzonderlijke elementen
Diastase Wanneer twee elementen niet goed op elkaar aansluiten of gekanteld ten opzichte van elkaar staan, kan er een holte (diastase) ontstaan, waarin zich continue voedsel ophoopt. Een diastase geeft aanleiding tot kauwbezwaren en ontsteking van het tandvlees.
Te lang doorgegroeide elementen
Normaliter slijten elementen gelijkmatig op elkaar af. Wanneer de tegenoverliggende kies door trauma of een ingreep afwezig is, zal een kies niet afslijten maar doorgroeien en mogelijk het tandvlees of zelfs de kaak beschadigen. Het mag duidelijk zijn, dat dit niet onopgemerkt zal blijven.
Ontstekingen
Ontstekingen en vervalprocessen van elementen komen bij het paard regelmatig voor. Meestal betreft het hierbij de kiezen. Deze kunnen ontstoken raken doordat voedsel en bacteriën zich via het infundibulum (kroonholte) of door tandvleesontstekingen (pockets) een weg banen naar de wortel. Is de wortel eenmaal ontstoken, dan vertoont het paard duidelijk pijn. Als ook het bot aangetast raakt, kunnen er zwellingen aan de buitenzijde van de kaken en eventuele fistelkanalen worden gevonden.
V. Afwijkingen aan de hele kiezenrij
Kantig gebit
Doordat de bovenkaak wat breder is dan de onderkaak, slijten de kiezen bij elk paard enigszins schijn af. Wanneer het paard normaal en voldoende lang kan kauwen, dit is wanneer ruime horizontale kauwbeweging en worden gemaakt, zal dit geen probleem vormen. Een licht kantig gebit wordt dan ook bij de meeste paarden gevonden. Is de horizontale maalfunctie beperkt (bijvoorbeeld door pijnlijke processen elders in de mond), dan ontstaan er punten op de buitenranden van de bovenkiezen en de binnenranden van de onderkiezen. In een extreem geval ontstaat een zogenaamd ¨schaargebit¨. Slijmvliesbeschadigingen, ontstekingen en slechte voeropname en vertering zijn het gevolg.
Trapvormig en golfvormig gebit
Door verschil in hardheid tussen de verschillende kiezen kunnen enkele elementen onvoldoende afslijten en daardoor boven het niveau van de andere uitsteken. Als de overgangen abrupt zijn, spreekt men van een ¨trapvormig¨ gebit. Dit kan leiden tot mechanische kauwstoornissen en tandvleesontsteking. Zijn de overgangen glooiend, dan wordt de term ¨golfvormig¨ gebit gebruikt. Hierbij ziet men zelden kauwproblemen. Dit kan samen gaan met een zgn. ¨glad¨ gebit. Hierbij zijn de emailplooien door de geringere hardheid verdwenen. Beide afwijkingen worden met name gezien bij oude paarden.
Herkauwersgebit
Dit is een aangeboren afwijking waarbij dentine en cement van de kiezen te zacht zijn. Hierdoor ontstaan er emailrichels, zoals die normaal bij het rund gezien worden. De scherpe emailrichels kunnen gemakkelijk slijmvliesbeschadigingen veroorzaken.
De hierboven genoemde gebitsafwijkingen moeten door een vakkundige dierenarts of gediplomeerd gebitsverzorger worden behandeld.
Een gezond jong paard zonder afwijkingen aan de kaakstand, dat voldoende goed ruwvoer te eten krijgt, behoeft beslist geen ¨halfjaarlijkse controle¨ zoals bij de mens te doen gebruikelijk is. Wanneer het paard echter symptomen vertoont zoals hierboven beschreven en/of op hogere leeftijd komt, dan is het verstandig de mond grondig te laten inspecteren en eventueel te laten behandelen.Copyright © DierenNieuws