Slangen en reptielen zijn er in alle soorten, maten en kleuren. Maar waarom hebben bepaalde soorten nu juist díe kleur?

 

Waarschuwende kleur

Soms heeft kleur een waarschuwende functie. Zeer giftige slangen zijn bijvoorbeeld vaak felgekleurd, zodat hun vijanden weten dat ze moeten oppassen. Er zijn ook niet-giftige slangen die hun gevaarlijke soortgenoten in kleur en vorm imiteren om zelf niet opgegeten te worden; dit wordt ‘mimicry’ genoemd. Dit verschijnsel gaat trouwens best ver: er zijn zelfs hagedissen die een slangenpatroon nadoen!

Kleurvariatie

Sommige slangen hebben een heel grote kleurvariatie, van ‘normale’ kleuren als groen en bruin tot felle kleuren als blauw, roze, rood en oranje. Vaak zijn slangen met deze kleuren in gevangenschap gekweekt door de mens. Maar slangen met felle kleuren komen ook in de natuur voor, zoals de rood-wit-zwarte Thamnophis.

Schutkleur

Kleur kan ook dienen als schutkleur, zodat de slang niet opvalt in zijn natuurlijke omgeving. Veel slangen die normaal gesproken groen of bruin zijn, worden bijvoorbeeld zwart als ze in bergstreken leven. Dit verschijnsel heet ‘melanisme’ en dient ook om in koudere bergstreken meer warmte op te nemen. Slangen zijn immers koudbloedige dieren, ze kunnen niet zelf hun lichaamstemperatuur regelen.

Dan zijn er nog slangen die duidelijk afstekende kleuren hebben en ondanks dat toch helemaal wegvallen tegen hun omgeving. Voorbeelden hiervan zijn de Bitis-soorten en de zwart-wit gebandeerde Vermicella annulata uit Australië.