Het vaccineren van honden en kattenVaccineren: wie en wanneer?
In 1796 ontdekte een Engelse arts, Edward Jenner, dat als je een mens inspuit met koepokken, deze geen mensenpokken krijgt. Dit was het begin van wat wij nu een heel normale gang van zaken vinden: het vaccineren of inenten. Het principe van vaccineren is, dat je de afweer wakker maakt voor een virus of bacterie die in het lichaam zou kunnen komen. Dit doe je met een stof die op dit virus of deze bacterie lijkt, maar die geen ziekte veroorzaakt. Op het moment dat de indringer het lichaam binnenkomt, kan de afweer dan direct reageren, zodat het dier niet ziek wordt. Om de afweer alert te houden, moet de hond of kat elk jaar weer gevaccineerd (ingeënt) worden.
De vaccinaties werken het beste bij gezonde dieren zonder wormen. Ontwormen is dus heel belangrijk, indien mogelijk enkele weken voor vaccinatie. Het afweersysteem heeft dan alle gelegenheid om afweerstoffen op te bouwen.
De eerste vaccinaties moeten op ongeveer 6 (pup) of 9 (kitten) weken leeftijd worden gegeven. Tot die tijd zijn pups en kittens beschermd tegen ziekte, omdat ze afweerstoffen van hun moeder gekregen hebben. Die hebben ze in de baarmoeder en met de eerste moedermelk (de biest) gekregen. Dit geldt alleen als moeder ook gevaccineerd was. Voor 6 weken (pup) en 9 weken (kitten) leeftijd vaccineren kan ervoor zorgen dat de afweerstoffen die ze van hun moeder gekregen hebben, reageren op het vaccin. Het eigen afweersysteem is niet wakker geschud en de pups en kittens zijn niet beschermd.
Honden
Voor honden zijn er vaccins tegen hondenziekte, besmettelijke leverziekte, parvo, ziekte van Weil (leptospirose), hondsdolheid en kennelhoest. Er zijn ook vaccins tegen andere, weinig voorkomende ziekten, maar daar zal nu niet op ingegaan worden.
Een entschema ziet er in het algemeen als volgt uit: op 6, 9 en 12-14 weken leeftijd moet de pup ingeënt worden. Soms is het nodig om de pup op 18 weken leeftijd weer in te enten. Er wordt niet elke keer tegen elke ziekte gevaccineerd. Daarna is een jaarlijkse herhaling nodig om de weerstand hoog te houden.
Hondenziekte
Hondenziekte, veroorzaakt door het CDV-virus, komt over de hele wereld voor en is zeer besmettelijk. Jonge honden kunnen eraan overlijden. Oudere honden hebben last van hun luchtwegen, waardoor hoesten en neusuitvloeiing voorkomen. Ook kunnen ze last krijgen van hun zenuwstelsel, wat voor blijvende verlammingen kan zorgen, ook nadat het virus weg is.
Een voordeel van dit virus is, dat het heel erg op het mazelen virus van de mens lijkt. Hier worden honden niet ziek van, maar als ze het ingespoten krijgen wordt het afweersysteem gewekt om ook tegen het CDV-virus afweerstoffen te maken. De afweerstoffen van moeder reageren niet met het mazelen virus. De jonge pup kan zo op 6 weken al ingeënt worden tegen hondenziekte met behulp van het mazelen virus. Een aantal weken later kan de pup dan ingeënt worden met een onschadelijk gemaakt hondenziekte virus.
Parvo
Parvo, een ziekte die bij de jonge hond heftig braken en bloederige diarree en bij de oudere hond.. geeft, is een zeer besmettelijke ziekte. Het tast ook het afweersysteem aan, waardoor andere ziekteverwekkers gemakkelijk ziekte kunnen veroorzaken. Het parvo-virus blijft lang actief in uitwerpselen en kan zo lang voor besmetting zorgen. Er zijn ook honden die het virus in hun lichaam hebben zonder ziek te worden; ze kunnen dan andere honden wel besmetten. Aangezien het bij zowel jonge als oudere honden voorkomt, moet er jaarlijks opnieuw tegen ingeënt worden.
HCC
Besmettelijke leverziekte (Hepatitis Contagiosia Canis) wordt veroorzaakt door het CAV-1 virus. Dit virus verspreidt zich voornamelijk via de urine. De dieren kunnen er erg ziek van zijn, en zoals de naam al aangeeft, wordt de lever (ernstig) aangetast. Vooral jonge honden kunnen er ook plotseling door sterven.
Ziekte van Weil
Een andere naam voor de ziekte van Weil is leptospirose. Leptospiren zijn beweeglijke bacteriën. Ze zwemmen als het ware het lichaam van de hond binnen, via wondjes, slijmvliezen, maar ook door de huid. Eén van de soorten leptospiren zorgt voor de ziekte van Weil. Via de urine verlaten ze het lichaam van een zieke hond. Ook ratten en mensen kunnen ziek worden en de leptospiren met de urine uitplassen. Water waar urine van ratten in zit, bijvoorbeeld grachtenwater, is de belangrijkste bron van infectie. De nieren en de lever worden ernstig aangetast en de honden kunnen heel erg ziek worden.
Jaarlijks vaccineren is noodzakelijk. Niet alleen om de hond te beschermen, maar ook om de mensen in de buurt van de hond te beschermen, aangezien mensen ook (zeer) ziek kunnen worden. Ook als honden niet zwemmen, is het toch belangrijk om de hond in te laten enten, omdat de inenting ook helpt tegen andere soorten leptospiren dan degene die de ziekte van Weil veroorzaken.
Kennelhoest
Kennelhoest wordt veroorzaakt door verschillende virussen en bacteriën. Ook stress zorgt ervoor dat de ziekte gemakkelijk aanslaat. Omdat in een kennel veel honden bij elkaar zitten, vindt veel uitwisseling plaats van bacteriën en virussen (de honden blaffen veel naar elkaar) en zijn de honden vaak licht gestresst. Daarom heeft de ziekte de naam kennelhoest gekregen. De honden hoesten voortdurend, schrapen vaak de keel en geven soms slijm of bloed op.
Jaarlijkse inenting kan niet voorkomen dat de hond kennelhoest krijgt, omdat meerdere factoren meespelen. Als de hond kennelhoest krijgt, zal hij er wel minder ziek van zijn.
Hondsdolheid
Hondsdolheid (Rabiës) is een virusziekte die zeer besmettelijk is voor vrijwel alle zoogdieren. Een besmet dier bijt een ander dier. Het virus gaat naar de hersenen en zorgt ervoor dat het dier graag bijt. Ook zit het virus in het speeksel, en zo verspreidt het zich. De afloop is vrijwel altijd dodelijk. In Nederland is de laatste jaren geen hond met hondsdolheid gezien, maar inenten is zeker verstandig als de hond naar het buitenland gaat. In veel landen is een inenting tegen hondsdolheid ook verplicht, anders mag de hond het land niet in.
Katten
Voor katten zijn er vaccins tegen kattenziekte, niesziekte, hondsdolheid en kattenleucose. Meestal worden katten op een leeftijd van ongeveer 9 en 12 weken ingeënt en daarna elk jaar.
Kattenziekte
Kattenziekte (panleucopenie) is een zeer besmettelijke virusziekte die overal ter wereld voorkomt. De ziekte leidt vaak tot de dood van de kat. Het virus is zeer sterk en blijft nog lang nadat het buiten de kat is besmettelijk. Een aai over de kop van een besmette kat kan al genoeg zijn om een andere kat in een ander huis te besmetten. Verschillende organen worden aangetast, waaronder het beenmerg. Hierdoor daalt de weerstand van de kat en kunnen andere ziektes gemakkelijk optreden. Zo wordt de toch al zieke kat nog zieker en sterft vaak.
Uit bovenstaande is duidelijk geworden dat iedere kat elk jaar tegen kattenziekte ingeënt moet worden.
Niesziekte
Niesziekte is een verzamelnaam voor drie ziektes die heel erg veel op elkaar lijken en ook in combinatie voorkomen. Twee hiervan worden door virussen veroorzaakt en één door een bacterie. De laatste is de enige vorm die behandeld kan worden met antibiotica. De ziekte kan voor jonge katten dodelijk zijn. Net als bij kennelhoest (zie honden) is het ook bij niesziekte niet mogelijk om met inenting te voorkomen dat het dier 'verkouden' wordt, maar de weerstand is een stuk hoger en daardoor zullen de symptomen minder ernstig zijn.
FIP
FIP is een afkorting van Feline Infectieuze Peritonitis. Het is een zeer besmettelijke ziekte die wordt overgedragen via direct of indirect (uitwerpselen, voedselresten) contact tussen katten. De kat wordt eerst ziek: koorts, lusteloosheid, eten laten staan, bloedarmoede. Daarna kan de ziekte zich op twee manieren verder uiten:
- De natte vorm, waarbij de buik gevuld wordt met slijmerig vocht en duidelijk dik wordt.
- De (minder voorkomende) droge vorm, waarbij geen dikkere buik te zien is.
In beide gevallen wordt het afweersysteem van de kat aangetast en scheidt de kat het zeer besmettelijke virus uit. De kat kan dan niet genezen worden en gaat vrijwel altijd dood aan de ziekte. Er is een vaccin ontwikkeld maar dit bleek helaas te weinig effectief en wordt niet meer toegepast.
¨Honds¨dolheid
Net als voor honden geldt voor katten dat ze ingeënt moeten zijn tegen hondsdolheid voor ze naar het buitenland mogen. Dit stelt niet alleen die landen gerust dat er geen hondsdolheid uit Nederland wordt ingevoerd, maar voorkomt ook dat de kat het virus uit het buitenland naar Nederland meeneemt.
Kattenleucose
Kattenleucose wordt veroorzaakt door het FeLV-virus, ofwel het kattenleucose virus. Er ontwikkelt zich kanker in het bloed en in de lymfeknopen en de afweer wordt aangetast. Het virus verspreidt zich door intensief contact tussen katten, zoals bij kattenfokkers en in catteries. Bij huishoudens met één of twee katten is er minder gevaar, maar voor inentingsadvies in uw situatie kunt U het beste naar de dierenarts gaan.
Copyright DierenNieuws ©